Geplaatst op
Dinsdag 12 mei 2026
Geplaatst door
Ilse Carrière
Loeca (24) is al jarenlang jonge mantelzorger voor haar broer, die autisme en psychoses heeft. Onze stagiaire Hariët gaat met haar in gesprek en ze vertelt openhartig hoe het is om met die verantwoordelijkheid op te groeien.
“Als kind maakte ik me eigenlijk niet zoveel zorgen,” vertelt ze. “Hij was gewoon mijn broer. We speelden samen en ontdekten de camping.” Pas toen ze ouder werd, begon ze het verschil te zien. “Ik besefte dat hij anders was dan anderen en dat je dat ook aan hem kon merken. Daar schaamde ik me best voor.” Die schaamte is inmiddels veranderd. “Nu is dat veel minder. Het is gewoon mijn broer. Dit is wie hij is.”
Toch bracht het opgroeien in deze situatie ook een gevoel van eenzaamheid met zich mee. “Ik heb me best alleen gevoeld. Ik praatte er niet over en mijn vriendinnen begrepen me niet.” Op school hoorde ze soms hoe klasgenoten spraken over kinderen die uit de klas werden gehaald. “Ze waren daar best negatief over. Dat deed wel iets met mij en zorgde ervoor dat ik erop school ook niet over durfde te praten.” Thuis lag de focus vaak bij haar broer. “Mijn ouders waren veel met hem bezig, wat logisch is, maar daardoor voelde ik me soms wel alleen.”
Toen haar broer zijn eerste psychose kreeg, wist ze niet goed hoe ze ermee om moest gaan. “In het begin wilde ik er helemaal niet over praten. Op de terugweg naar huis zat ik zelfs met mijn rug naar mijn ouders toe.” Lange tijd sprak ze niet over de situatie, niet op school en niet met vriendinnen. Inmiddels is dat veranderd en praat ze er juist makkelijker over. “Toen ik erover ging praten, merkte ik dat het steeds makkelijker werd.”
De situatie zorgt soms voor ingewikkelde emoties. Ze vindt het soms lastig om met haar gevoelens om te gaan. “Aan de ene kant wil je boos worden als hij iets doet wat je echt niet leuk vindt, maar aan de andere kant vind ik het ook zielig, omdat hij het zelf niet doorheeft.” Dat spanningsveld zorgt soms voor een dilemma.
Niet iedereen begrijpt wat het betekent om een broer te hebben met autisme en psychoses. “Mijn vriendinnen zeiden weleens: ‘Als hij boos is, geef hem toch gewoon een knuffel. Maar dat is juist het laatste wat ik moet doen bij hem.” Zulke reacties maakten het soms lastig om je echt begrepen te voelen.
Dat veranderde toen ze in contact kwam met andere jonge mantelzorgers. “Toen ik daar kwam, leerde ik anderen kennen en zag ik dat ik niet de enige was. Dat was zo’n opluchting.” Vooral de herkenning deed haar goed. “Er was iemand die ook een broer had met autisme en psychoses. Ik herkende daar zoveel in. Dat was echt heel fijn.”